Wie zijn wij?
Wij zijn leden van een internationale vereniging die zich de I.O.O.F. noemt. Deze letters staan voor Independent Order of Odd Fellows.
De Orde stamt uit het begin van de 19e eeuw, is opgericht in de VS, maar haar wortels liggen in Europa. Voor meer over de geschiedenis verwijs ik u naar het hoofd stuk “ Geschiedenis” verderop.
Lokaal bestaan wij als een zogeheten “loge”, een soort vereniging.
In Meppel kennen we een mannenloge (“Erica” geheten) en een vrouwenloge (“Carnica”).
Beide loges maken gebruik van hetzelfde gebouw, aan de Julianastraat in Meppel; de mannen eens per week op dinsdag de vrouwen eens per twee weken op donderdag.

Wat doen wij?
Wij gaan uit van de gedachte dat de mens als individu medeverantwoordelijk is voor wat zich in de samenleving afspeelt.
Sterkere individuen maken een samenleving sterker.
In de symboliek die de Odd Fellows hanteren, wordt dit voorgesteld door de drie schakels, die aan de muur van het gebouw te vinden zijn.
De keten is zo sterk als zijn zwakste schakel. In de bijeenkomsten – “zittingen” genaamd – en natuurlijk ook daarbuiten, probeert ieder lid een individueel groeiproces door te maken, en daardoor ook als groep. Onder “groep” moet dan niet alleen de eigen groep worden verstaan, maar de samenleving en uiteindelijk de gehele mensheid. Een mooie gedachte onder de Odd Fellows is dat er slechts één volk is, en dat is de gehele mensheid, en slechts één taal: de taal der liefde.

 

Betekenis van de schakels
Deze schakels stammen uit de beginperiode van de Odd Fellows, maar werden door de stichter van de Orde voorzien van een extra dimensie. Hij verbond er de begrippen “Vriendschap”, “Liefde” en “Waarheid” mee.

Zittingen
De zittingen, die plaatsvinden in de tempel, verlopen volgens een vast stramien. Daarbinnen is er steeds een lid dat een bijdrage levert in de vorm van een beschouwing over een hem na aan het hart liggend onderwerp.
Tijdens de zitting wordt er niet gediscussieerd. Wel is er plaats voor muziek. De gedachte hierachter is dat aldus de gewenste bezinning betere kansen krijgt.
Voor discussie is er nadien gelegenheid, in de nazitting, die in een andere ruimte plaatvindt. Daar worden ook de verenigingszaken besproken en komen maatschappelijke activiteiten aan de orde. Ten slotte is er ruimte voor informeel samenzijn.
Het is beslist niet de bedoeling dat het in de loge blijft bij zelfreflectie. Het streven een beter mens te worden moet uitmonden in zorg voor de naaste. Die zorg kan zowel individueel als gezamenlijk worden gegeven.
In de loge noemen wij elkaar “broeder” en onze bijdragen heten “bouwstenen”. Daar zit een wereld achter van symboliek, die ontleend is aan het gedachtegoed, dat verwant is aan de Vrijmetselarij.

Voor wie staat de loge open?
Voor ieder die aan het ideaal mee wil werken, ongeacht rang en stand, ongeacht godsdienst, geaardheid en leeftijd. Zoals eerder aangegeven is er een mannen- en een vrouwenloge. Er bestaan geen gemengde loges. Wel zijn er zogenaamde “Ordezittingen” waarbij broederen en zusteren elkaar ontmoeten.
Het is voorts goed te weten dat de gehanteerde symboliek joods-christelijk van aard is

Geschiedenis
De Orde is in de Verenigde Staten van Amerika opgericht, maar ze heeft Britse wortels. De eerste Odd Fellowloge kwam op 26 april 1819 in Baltimore tot stand. De man die aan de basis stond van deze “George Washington Lodge nr 1” was Thomas Wildey, een smid die in 1817 vanuit Engeland naar de Nieuwe Wereld was geëmigreerd.
Wildey was in Londen geboren op 15 januari 1782. Slechts weinig is bekend over zijn optreden tijdens zijn verblijf in Engeland, maar zelfs dat weinige is voldoende om ons ervan te overtuigen, dat hij met ijver, energie en een diep voelend hart werkzaam was voor het welzijn van zijn medemens. Hij was nog maar 23 toen hij Voorzittend Meester van een Odd Fellowloge in Engeland werd.
De eigenlijke oorsprong van de Odd Fellows ligt waarschijnlijk in Londen. In de tweede helft van de 17e eeuw was die stad getroffen door een tweetal grote rampen, te weten een pestepidemie in 1665 - waarbij 70.000 mensen het leven lieten - en een jaar later, in 1666, de grote brand van Londen - waarbij in 5 dagen tijds 89 kerken en 13.200 huizen verloren gingen. Het verlies aan bewoners, gepaard aan de grote bouwactiviteiten daarna, leidde ertoe dat er een grote hoeveelheid immigranten Londen binnenstroomde, voor wie er geen huisvesting was. Londen werd een “mensverslindende” stad, waar de levensomstandigheden in het begin van de 18e eeuw bijzonder slecht waren. Door de overbevolking en de slechte behuizing zochten de mannen uit alle lagen van de bevolking hun heil in de lokale pub, de taverne of het koffiehuis. Mensen met gelijke ideeën ontmoetten elkaar in die gelegenheden. Hier ontstonden dan ook de “Friendly Societies” en vele andere clubs, waarvan er sommige nu nog bestaan. Maar bij een zwerftocht door het Londen van die tijd komen we de Odd Fellows nog niet tegen.
De eerste Odd Fellowloges ontstonden omstreeks 1736 in de Londense tavernes. Ze hielden 4 keer per jaar een bijeenkomst. Het lidmaatschap kostte 2 guineas per jaar terwijl het nog eens 3,50 pond kostte om de verschillende graden te verkrijgen. De rituelen, emblemen en organisaties waren maçonniek, hetgeen voeding geeft aan de opvatting dat het een organisatie was die door Vrijmetselaars was gesticht.

Een mogelijke verklaring die richting probeert te geven aan het ontstaan van de Odd Fellows is de volgende.

Door het toelaten van niet-steenhouwers ontstond er in de Vrijmetselaarloges een tweedeling tussen de oorspronkelijke, uitvoerende vrijmetselaars en de nieuwe, speculatieve vrijmetselaars, waarbij de laatste groep steeds meer de dienst ging uitmaken. Alhoewel het woord “loge” nog steeds werd gebruikt, waren de loges toen meer gentlemen’s clubs geworden, zoals we die in het Londen in de 2e helft van de 17e en de 1e helft van de 18e eeuw wel meer aantreffen. Alles werd in het werk gesteld om meer invloedrijke leden aan te trekken en dat lukte want al gauw waren grote geleerden en edellieden lid van de organisatie en maakten zij in hoge mate de dienst uit.
Dat dit niet altijd in de smaak viel bij een deel van de logeleden moge duidelijk zijn; er zijn in die tijd ongetwijfeld logeleden geweest die zich in hun loges niet meer thuis voelden en die besloten om hun loges te verlaten.

Het onbehagen over het loslaten van de oorsprong van de beweging zou dan tegelijkertijd ook een goede verklaring zijn voor de vreemde naam. Het woord “odd” betekent namelijk onder meer: “dat wat overblijft” en “fellows” vertalen door “broeders” is zeker niet fout. En dus werden die “overgebleven broeders” de “odd fellows” genoemd. Hoogstwaarschijnlijk waren zij dus Vrijmetselaars die onder de naam “Odd Fellows” een nieuwe organisatie stichtten. De ritualen van de Odd Fellows zijn echter anders dan die van de Vrijmetselaars, maar het is waar dat de organisatiestructuur van onze Orde en de ritualen die wij nog steeds hanteren een maçonniek karakter hebben.

De idealen destijds en nu
Onze stichter Thomas Wildey bereikte op 12 september 1819 Baltimore, waar hij probeerde een nieuw bestaan op te bouwen. De eerste jaren zal hem dat niet gemakkelijk zijn gevallen. De Verenigde Staten stonden nog in de kinderschoenen. De Statenbond bestond pas 36 jaar en kreeg een grote stroom gelukzoekers te verwerken. De tegenstellingen tussen arm en rijk waren zeer groot en er heerste grote onveiligheid in het land. De heersende mentaliteit was: zorg in de eerste plaats voor jezelf, ook al gaat dat ten koste van een ander. Overal heerste wel angst.
Kort nadat Thomas Wildey in de Nieuwe Wereld voet aan wal had gezet, braken er bovendien ernstige epidemieën uit. Velen vluchtten om aan het gevaar van besmetting te ontkomen. Met behulp van een aantal vrienden deed hij wat hij als zijn plicht zag. Daarbij was het aandeel van de vrouwen essentieel. Reeds toen ontstond de opdracht die de Orde tot de hare heeft gemaakt namelijk om de zieken te bezoeken, de bedroefden te troosten, de doden te begraven en de wezen op te voeden. Later is daaraan toegevoegd: “De weduwen te steunen” en in deze vorm vinden we de opdracht terug op het zegel van de Grootloge.

Thomas Wildey gaf ons met die woorden een hernieuwde opdracht. De vraag wordt gesteld of die opdracht in deze moderne tijd nog wel geldt. Vele taken die voorheen onder liefdadigheid vielen - en vaak mede door Odd Fellows werden vervuld - zijn intussen overgenomen door de samenleving. In ons land en in een flink aantal andere landen heerst een grotere welvaart dan ooit tevoren. In onze samenleving heerst tenminste een “basis” van rechtvaardigheid, vrijheid, bestaanszekerheid en veiligheid. Natuurlijk weten wij allen dat zulks voor grote delen van de wereld niet geldt maar bij ons zijn armoede en ellende minder zichtbaar geworden. Techniek en wetenschap ontwikkelden zich in een duizelingwekkend tempo en brachten comfort, amusement en snelheid in ons leven. Er is geen gebrek aan informatie over elk denkbaar onderwerp en de beelden uit alle delen van de wereld spoelen dagelijks over ons heen. Maar het is de vraag of de menselijke noden door dit alles nu zoveel zijn verminderd. Juist door die snelle ontwikkeling en de overvloed aan informatie samen met de materiële voorspoed raken veel mensen in de knel. Vereenzaming en geestelijke armoede zijn de schaduwzijden van de welvaart. De traditionele verbanden waarin over geestelijke waarden werd gesproken en waarin velen zich herkenden en houvast vonden, werden opengebroken of functioneren ontoereikend. Mensen en instituten hebben het tempo van de ontwikkelingen niet kunnen bijhouden en ze lijken soms aan de welvaart ten onder te gaan.
De vraag kan worden gesteld of het Odd Fellowship in de bestrijding van deze niet-materiële nood een rol kan spelen. In ieders omgeving zijn er mensen die eenzaam en maatschappelijk gedesoriënteerd zijn en die om aandacht en hulp vragen. Er zijn zoveel vormen van menselijk lijden waarvoor bezit, rijkdom of kennis geen soelaas bieden. Juist daar wordt van de Odd Fellows iets verwacht, van iedere Odd Fellow individueel. Die persoonlijke inzet is heden ten dage hoognodig, misschien wel meer dan ooit. Maar het bestrijden van deze noden vraagt moed en geestelijke kracht. Als onze Orde iets daarvan aan haar leden kan schenken, voldoet zij als Orde aan de opdracht van haar stichter.
De opdracht die Thomas Wildey ons in 1819 gaf, beklemtoont de “medeverantwoordelijkheid voor hetgeen zich als samenleving op aarde afspeelt”. De aanmoediging en de bezieling die we daarvoor nodig hebben vinden we in de zittingen van onze loges.